De vazalliteit hield in dat men zich ten dienste stelde van een heer om veilig te zijn. Het beneficium of feodum was een beloning met grond voor bewezen diensten. De vervloeiing van vazalliteit en beneficium deed de verhouding leenheer – leenman ontstaan: men stelt zich in dienst om beloond te worden. Het gevolg hiervan was een pyramidale structuur van de maatschappij.

De middeleeuwse samenlevingsvorm was een gemeenschapsmaatschappij. De samenleving was een geheel, er waren geen klassen als dusdanig. Ze berustte op een profane en een religieuze pijler: Kerk en Staat werkten samen, politiek en religie liepen door elkaar. Zo mocht b.v. tot aan de Investituurstrijd de wereldlijke heer de geestelijke leiding aanstellen.

De maatschappij bestond uit drie delen. De geestelijkheid stond in voor de heiliging van de gemeenschap, de adel voor de bescherming, en de werkende stand voor het onderhoud. Deze standen waren op elkaar afgestemd.

Bij de hogere geestelijkheid (bisschoppen en abten) was er een verwatering van de religieuze motivatie door de wereldse aanstelling, een toestand die later tot het protestantisme zal leiden. De middengroep (kannuniken en monniken) waren de geschoolden, die onderricht gaven. De laagste groep, de dorpspriesters, waren meestal niet geschoold. De wetenschappelijke kennis van de clerus was aan de lage kant.

De adel, die vroeger vooral bezitters waren, wordt nu militair. Men was adellijk door geboorte. Binnen de adel was er een speciale groep: de ridders, mannen – met een paard – die opvielen door hun moed en deugd, die de gemeenschap moesten leiden, maar ook de marginale groepen beschermen. De schildknaap kon tot ridder geslagen worden in een soort wijdingsritueel met religieuze inslag. De burchten van de adel evolueren ook langzaam tot lusthoven waar het hofleven ontstaat.

De derde stand was de armste, samengesteld uit vrijen, halfvrijen en lijfeigenen. Vrijen waren dat meestal alleen in naam, ook zij waren aan de heer verplicht. Halfvrijen waren vrij van persoon, maar aan de grond gebonden. De lijfeigenen hadden geen persoonlijke vrijheden, ze waren bezit van de heer. Toch hadden ze het beter dan bijvoorbeeld de slaven in de Oudheid.