Kempische Kerstvertelling

herders_Kerstmis

Toen de herderkes in ’t Kempenland
van kooplie uit den Oost
vernamen hoe klein Jezuke
door Herders werd getroost
in ’t koud bouwvallig stalleke –
toen sprak een grijze scheper daar:
“Wie volgt mij tot bij ’t kribbeke?”
– “Wij willen al te gaar” !

En de herders namen staf en hoed
en deen hun mantel aan;
ze zijn dan zonder ommezien
te saam op reis gegaan.
Ze dreven – ’t was hun offergift –
tien blanke schaapjes vóór hen uit
en Pauwel blies tot tijdverdrijf
een kerstlied op zijn fluit.

Maar het reizen o! zoo lange duurt
en bar is ’t winterweer,
en ’s avonds, waar geen lichtje pinkt,
doet hongerpijn zoo zeer.
Het sneeuwt en, bij dien Noordenwind,
de schaapjes mindren iedren dag,
en ’t laatste, na een guren nacht,
ook doodgevroren lag.

Toen zij eindlijk waren, afgemat,
geraakt tot Betlehem,
sprak stil de grijze Corydon
met weemoed in zijn stem:
“o Jozef, ’t gure winterweer
heeft al ons schaapjes wreed geslacht;
toch hebben wij voor ’t kribbeke
de wolle meegebracht.”

O, zoo minzaam lacht het godlijk kind
van op zijn warmen wol!
Maria dankt de herderkes
met tranen vreugdevol:
“U wacht een honderdvoudig loon,
U die zo simpel zijt, zoo rein,
want vrede zij de menschen al
die goed van wille zijn.

JOZEF SIMONS

Om voor te dragen, Uitgave van den Belgischen Boerenbond. Jaar onbekend.


oude_boekenkast_small
Recente artikels:

Alle artikels:
Advertenties