Voorgeschiedenis

Voor deze periode ontbreken geschreven bronnen. We moeten ons met fossiele vondsten behelpen.

De steentijd (600 000 – 2000 v.Chr.)

Neanderthaler
Neanderthaler

- Paleolithicum (Oudsteentijdperk) (600 000 – 10 000 v. Chr.) -
Tijdens het Paleolithicum leefde de Neanderthalmens (ca. 100 000 v. Chr.). Rond 70 000 verschijnt de homo sapiens, die zelf materie bewerkte en zelfs sierraden maakte. Van hen zijn ook rotsschilderingen overgebleven.

- Mesolithicum (Middensteentijdperk) (10 000 – 3500 v. Chr.)
Tijdens deze periode werd het warmer en volgden de mensen de dieren naar het Noorden. Ook liet de tropische begroeiing weinig bevolking toe. In onze streken werd de savanne door wouden overdekt.

- Neolithicum (Jongsteentijdperk) (3500 – 2000 v. Chr.)
De beschaving groeit. De jacht- en plukmens wordt sedentair. Van nomaden worden ze landbouwers. Zo vinden we b.v. in Haspengouw sporen van verzorgde woningen uit die tijd. Er infiltreren voortdurend mensen uit het Oosten. Na de landbouw ontstaat ook de veeteelt en een beginnende industriële activiteit (silexmijnen in Henegouwen). Ook in het noorden van onze gewesten komen mensen wonen.

Bronstijdperk (2000 – 800 v.Chr.)

In deze tijd leefden bij ons de Bekerlieden, een beschaafd volk. Na hen kwam een hele verarming, zoals we kunnen opmaken uit graven. Heel de Bronstijd krijgen we verder eerder primitieve samenlevingsvormen, met weinig overblijfselen. Rond 800 verschijnen de Urnenveldlieden, die hun doden verbrandden.

Ijzertijdperk (800 v.Chr. – …)

Er vinden invallen plaats van volkeren die gebleven zijn. De Kelten kwamen in twee golven. Rond 650 de militair gerichte Halstatt-krijgers, die al contacten hadden met de Middelandse-Zeebeschavingen van Grieken en Romeinen. Rond 450 worden ze gevolgd door de zachtaardiger kultuur van de La Tène-Kelten.

Op het einde van de voorgeschiedenis infiltreren de eerste Germanen. Dan zijn de eerste geschreven bronnen bewaard en begint de geschiedenis.