Bij Hamlet, een cocktail.
De leerlingen van mijn school speelden Hamlet, een cocktail. Waarbij het volgende.
To be or not to be. Zijn of niet zijn. Eigenlijk is de vraag waar Hamlet mee worstelt “doen of niet doen”, maar dat doen is hier voor hem van dermate existentieel belang, dat het doen een zijn wordt.
Wat is dat “doen” voor hem ? Zijn vermoorde vader wreken ? En waarom twijfelt hij ? Precies omdat het doen voor hem een zijn is, en de daden beladen worden met een ondraaglijke zwaarte, kan hij moeilijk tot de actie overgaan.
Hamlet is de geboren twijfelaar, piekeraar. Hij gaat zo diep op de zaken in, dat hij elk handelen van voren af aan hypothekeert, vastzet. Je kan je zelfs afvragen: is hij een twijfelaar geworden met de dood van zijn vader, of was hij het altijd al ?
En als hij handelingen onderneemt, gaat hij verder dan de anderen durven gaan, wanneer hij zijn vaders geest volgt, tegen het advies van zijn vrienden in, of wanneer hij dan toch zijn oom doodt.
En welke strategie hanteert hij dan om met die zwaarte van het handelen dat te ver moèt gaan, om met die existentiële twijfel, met die basale onzekerheid die daaruit volgt, om te gaan? Hij wordt waanzinnig, hij ontdubbelt. Of speelt hij dat hij waanzinnig wordt ? De andere personages weten niet wat ze ervan moeten denken. Zelf deelt hij in het begin van het stuk aan zijn vrienden mee dat ze zich bij zijn vreemde gedrag geen enkele vraag mogen stellen, ja dat ze zelfs in het publiek er geen allusie op mogen maken dat zij wel beter weten. Maar is het gedrag dat Hamlet dan gaat vertonen echt, of gespeeld ?
Het stuk “Hamlet” is de aanblik van de afgrond, het drama van de dualiteit, maar het is ook het toneel van de twijfel, het spel van de spiegel.
Heel het stuk door is een opvolging, een opstapeling van dubbels, en spiegelbeelden. Echte waanzin (zoals van Ophelia) staat tegenover gespeelde waanzin van Hamlet (of is die ook echt ?).
Sommige spiegelbeelden vind je zelfs buiten het stuk: koning Claudius doet onwillekeurig denken aan de Romeinse keizer Claudius. Nog zo’n figuur waarvan zijn omgeving zich afvroeg of hij zwakzinnig was, of zijn zwakzinnigheid speelde.
De “zijnde” Hamlet staat tegenover de “niet zijnde” Hamlet, een ontdubbeling die op haar beurt haar spiegel vindt in Hamlets dialoog met de schedel van Yorick. De schedel als Hamlets schim.
Hamlet die zijn vader wil wreken, vindt een pendant in de persoon van prins Fortinbras die de nederlaag van zijn vader wil wreken door verovering van nieuw grondgebied. Fortinbras als Hamlets schitterende schaduw.
Al die spiegels doen onwillekeurig ook denken aan de alliteratie: Ha Ha Hamlet. Het spel van het spijt, van het vervloekt verdriet, van de criminele complexiteit, van soms haperende, soms heilige humor. De apotheose van de alliteratie. De spin-off van klassiek spektakel. De volgende in een eeuwige rij interpretaties. De school leest geen klassieken, maar maakt ze.
De ultieme ontdubbeling is natuurlijk de aanwezigheid van het toneel in het toneel. De technische literaire term voor een werk dat in zich zijn spiegel bevat is een mise en abyme, een abyssale structuur. En daar is de afgrond weer.
Is toneel een maar een “Spielerei” ? Is “Hamlet” dan niet een oer-ernstig stuk ? Het toneel-in-het-toneel lijkt ervoor te pleiten om het toch maar ernstig te nemen. Het zijn de toneelspelers, op bezoek aan het koninklijk hof, die de gebeurtenissen in een volgende versnelling doen belanden.

